Het land onder de horizon  

Notities 2010-2025 - Ilona Plaum

Lucht voor 10.000 jaar

Mijn eerste ervaring met schoonheid had ik in mijn vierde levensjaar. Ik zat met mijn broer in een klein houten bootje die kraakte en kreunde bij iedere roeibeweging. Mijn broer was de kapitein, ik de matroos en behendig manoeuvreerde hij ons heen en weer door een lange dorpsloot die achter ons huis lag. Aan het einde van de sloot lonkte een spannend avontuur. Daar was een kleine waterplas vermomd als de grote zee waarin dikke haaien zwommen en allerhande zeemonsters. Een natte, uit de sloot geviste tak deed dienst als onze harpoen.

We hadden een missie. Maar alvorens we ook maar enige meters hadden afgelegd, hoorden we gebonk op het raam van ons huis. Mijn moeder stond op de tweede verdieping strak van de spanning driftig te zwaaien en gebood ons onmiddellijk naar de kant te komen. Hoe we het in godsnaam in ons hoofd hadden gehaald om te gaan roeien zonder zwemvest aan terwijl ik nog niet zwemmen kon. Ik raakte van slag en ging verward rechtop staan. Zo boos kende ik mijn moeder helemaal niet. De planken wiebelden onder mijn voeten. Mijn broer, ook aangestoken door de boosheid van mijn moeder, begon geïrriteerd en wild naar de kant te roeien. En tja... daar ging ik. Overboord. Kopje onder.

Beneden onder water was het stil. Modder met zonlicht doet wonderen. Het leek daar goud te sneeuwen. Overal waar ik keek zag ik miljoenen kleine deeltjes die het licht van boven absorbeerden en blinkend alle kanten op stuurden. In warme tinten van helder, goud licht zonk ik langzaam naar beneden. Hier en daar herkende ik een blad van een boom die in een vervreemdend laag tempo naar beneden dwarrelde. De wereld van de sprookjes verbleekten erbij. Het goud, het licht, de vervreemdende traagheid in stilte, dit alles kwam me voor als een plek die vele malen werkelijker was dan wat ik tot dan toe ooit had ervaren. Het was de ervaring van ultiem verwonderd zijn die me vleugels gaf en me lucht bezorgde voor nog wel tienduizend jaar. Als het op dat moment aan mij had gelegen was het een plek waar ze me nog wel enkele uren hadden mogen laten liggen.

Toen ik met soppende sokken druipend op de kant stond en de consternatie gadesloeg van de mensen om me heen – want inmiddels waren ook mijn vader en de buren erbij komen staan – begreep ik daar werkelijk helemaal niets van. Ik had iets ongelooflijks moois ervaren. Ik had iets fantastisch gezien.

Ontwaren

Mijn ogen zijn rond en constant in beweging. Ze zijn niet gemaakt voor stilstand. Ze tasten af, zoomen in en zoomen uit. Tenzij ik bewust staar of focus. Maar als ik dat niet doe en bijvoorbeeld mijn mouw ongedwongen probeer waar te nemen, merk ik dat mijn blik telkens heen en weer springt tussen de contour, de rand van mijn mouw en de textuur, het ritme van de stof. Steeds weer ervaar ik een gelijke spanning tussen het definiëren van een vorm en diens betekenis en de oneindigheid van kleine deeltjes die zich als een nieuwe dimensie binnen de vorm ontvouwt. Door in te zoomen op de piepkleine deeltjes valt het omvattende uiteen. Wat overblijft is ritme.

Voorbij de paradox

Door de lens kijken naar de acties die ik heb uitgevoerd, geeft me altijd een frisse sensatie. Het is de sensatie van een nieuwe, andere blik. Een analogie die deze andere blik goed uitdrukt is die van een wandelaar die boven op de top van een berg staat. De wandelaar heeft op de top weids uitzicht over de vallei beneden. Het op afstand staan, observator zijn en overzicht hebben, stel ik gelijk met de positie en betekenis van de camera. Zodra ik aan het maken ben, begeef ik me in de vallei, in het moment van hier en nu waar ik geen overzicht heb en gedachten over straks en toen. In de diepste krochten van de vallei lijken tijd en ruimte niet te bestaan. Louter de dimensie van bewustzijn zelf waarin ik me verenigd voel met alles en iedereen.

Spiegel van de ziel

Er is niets zo enthousiasmerend als een plant die je in volle galop ziet groeien. Vooral jonge stekjes met piepkleine blaadjes die van het ene op het andere moment in een groeispurt zitten. “Zo, die heeft er zin in!”, denk ik. “She’s on fire”, roept mijn dochter. De levenskracht spat er van alle kanten af. Het werkt aanstekelijk. Ik krijg ook zin om alles uit de dag te halen.

Maar het tegenovergestelde gebeurt ook. Het maakt me treurig als een plant slaphangt. Ik word bezorgd als ik gele bladeren zie. Het maakt me paniekerig als een plant plotseling veel bladeren verliest en ik niet weet of de plant last heeft van te veel of te weinig water. “Kon ie maar praten”, wens ik op zulke momenten. Leven met planten leert me op een onbewust niveau, om te gaan met de voortdurende veranderlijkheid, met de cyclus van leven en dood en niet in de laatste plaats om me elke dag even met hen te verbinden, gewoon door simpelweg naar hen te kijken en ze waar te nemen.

Tijdreizen

Ik sta in een historisch museum voor een vitrine gevuld met oeroude vazen en potten. Ik bekijk het aardewerk aandachtig. De vazen en potten dateren van ver voor mijn geboorte. Er zit een afstand van ruim 2000 jaar tussen mij en de maker. Schijnbaar onoverbrugbaar. Dan kijk ik naar de gekerfde motieven in de gebakken klei. Ik zie en voel de snelheid waarmee de hand van de maker heeft bewogen; langs de getrokken sporen zitten nog de bramen. De invoelbaarheid van de handeling is zo sterk, de verbondenheid zo groot, dat tijd niet meer bestaat en ik mijn vroege voorganger zo de hand zou kunnen schudden.

Horizon

Het was er altijd. De verte. De scheiding tussen hemel en zee. Rondom, maar altijd op afstand. Als een abstractie die verwees naar een belofte. Ik staarde met mijn kinderogen naar de onmetelijke weidsheid om me heen. De aarde werd voelbaar als een immense grote bal verpakt in een loodgrijs wateroppervlak waarop ik eenzaam met mijn familie ronddobberde alsof onze bestemming het einde van de wereld was. Maar na verloop van tijd veranderde de horizon. Vanaf links of rechts, friemelde er zich een dunne, donkere haarlijn tussen de zee en de lucht die langzaam dikker werd en onregelmatige bobbels kreeg. Een lijn waarin ik later de contouren van de vertrouwde huizen, bomen, torens en schapen herkende.

Tegen de tijd dat ik vijf jaar oud was, had mijn vader zijn eerste zeilboot gebouwd. Voor mijn vader stond de zee voor avontuur, rust en de wind in de haren. Voor ons gezin betekende dit dat we alle vakanties en weekenden doorbrachten op het water. Zo zeilden we naar Engeland, Denemarken, en Noorwegen en bezochten we een keer het eiland Corsica in de Middellandse zee.

Helaas had ik niet de zeebenen van mijn vaders geërfd. Ik lag vaak voorovergebogen in het gangboord te spugen tot mijn maag als een spons helemaal was uitgewrongen. Het gevecht tegen de misselijkheid begon al zodra we de haven verlieten. Terwijl ik de bomen en de schapen op de dijk steeds kleiner zag worden tot ze waren geslonken tot een levenloze, vlakke lijn, begon een onaangename zwaarte zich van mij meester te maken. “Ga maar tegen de mast aanzitten”, zei mijn vader toen ik wat ouder was, “daar schommelt de boot het minst.”

Zittend midden op het schip met een twaalf meter hoge, harde mast achter mijn rug en weinig bewegingsvrijheid werd inderdaad de misselijkheid minder, maar sloeg de verveling toe. Omringd door louter water en lucht, een eentonigheid die soms tergend lang kon duren, klampte ik me wanhopig vast aan mijn fantasie. Zo probeerde ik te midden van het hemelse blauw een eindeloze optocht van witte dieren te herkennen.

En als er een schaarste was aan wattige wolken speurde ik het water af op zoek naar vreemdsoortige onregelmatigheden want die zouden weleens kunnen duiden op een kop van een zeehond of een aankondiging van een school van vliegende vissen. Ik fantaseerde over hun kleur, de grootte van hun vleugels, of ze snavels hadden en wat voor geluid ze maakten. Tenslotte maakte het niet meer uit of ze verschenen of niet. Ik had ze al uitgetekend en gezien.

Diepteperceptie

Vijftien jaar geleden bij het maken van een foto-grafische opstelling kreeg ik een waardevolle ervaring waar ik vaak aan terugdenk. Voor het uitvoeren van een experiment had ik met wat schilderstape rudimentair een oog afgeplakt. Zo zou ik geen last hebben van het parallax effect, dacht ik.

Het werken met één oog was zeer intensief. Ik had veel moeite om objecten ruimtelijk ‘vast te pakken’, om me erop te focussen. Voor het eerst ervoer ik mijn oog als een spier los van mijn identiteit dat vermoeid kan raken en grenzen heeft. Maar de allergrootste klap kwam op het moment dat ik klaar was. Het moment dat ik weer ging kijken met twee ogen. Mijn plotselinge diepteperceptie ervoer ik als een dreun. De omgeving voelde intiem dichtbij. Mijn blikveld was weer rond en gebogen. Als een grote bel zat het onafscheidelijk om me heen. Alles resoneerde zo levendig, zo ruimtelijk, zo adembenemend mooi. Ik voelde me een stuk energieker en realiseerde me eens en te meer dat het ervaren van diepte veel meer betekent dan louter een pragmatisch inzicht over afstand. Diepteperceptie is voor mij dan ook een fysiek, spirituele ervaring. Het boort gevoelens van verbinding aan, van betrokkenheid, van vitaliteit door de ervaring van het letterlijk in de wereld staan.

Kleur

Grijs, dat is Nederland. Het land waar ik ben geboren en opgegroeid. Bewolkte luchten, zachte tonen, zilver licht, deze dagelijkse ondervindingen voeren me mee naar de verre oorden in mijn gemoed zonder dat ik met mijn ogen hoef te knipperen om hun diepte te consolideren. Ergens diep van binnen heeft het mijn set aan snaren bepaald. Zou dit voor meer mensen gelden?

Ik herinner me een interessante kleurervaring van lang gelden in een ander werelddeel. Op een terrasje zittend in het hete Acapulco, bestelde ik een flesje Fanta. Om me heen was een landschap bezaaid met struiken waar roze bloemen aan groeide. Dit roze was zo verzadigd zo fel dat mijn ogen er moeite mee hadden om ze te ‘omarmen’. Er waren geen tussentonen of zachte overgangen. Ik kon het roze niet in samenhang brengen met de rest van de omgeving. De intensiteit maakte me duizelig. Het stootte me af.

De Fanta kwam. Tot mijn verbazing had deze Fanta een hele andere kleur oranje dan die ik kende van de flesjes uit Nederland. Dit oranje was net zo knal als de hardroze bloemen aan de struiken terwijl de Fantakleur uit Nederland in mijn herinnering veel grijzer was. Zelfde logo, zelfde firma, zelfde drankje zou je zeggen. Maar op een ander continent met een ander landschap werd er naar een andere kleur verlangd.

Zwart

In ons huis is er geen raam zonder vitrage. Ik hou van vitrage. Vitrages filteren de drukke buitenwereld en leggen de nadruk op het binnenkomende licht. ’s Avonds, als het daglicht verdwenen is, hebben ze een ander effect. Het afsluiten van het zicht op de grenzeloze diepte van de nacht versterkt de intieme geborgenheid binnen.

In de zomer van 2008 verbleef ik met mijn kersverse, nieuwe gezin in een boshuisje van vrienden. Het huisje leek op een groot aquarium. Op één muur na waren de overige van glas. Mijn vrienden hielden niet van gordijnen. Bij de naakte, glazen wanden viel geen vitrage of lap stof te bekennen. Met mijn zeven dagen oude dochter in mijn armen was voor mij niets zo unheimisch als het waarnemen van de toen dagelijkse, invallende duisternis. De bosrijke omgeving waar ik gedurende de dag vertrouwd mee was geraakt, werd langzaam opgeslokt door het zwart van de nacht. Na verloop van tijd was niets tastbaars meer te zien; geen enkele boom, struik of plant. Alleen de donkere, schijnbare leegte die beklemmend aanvoelde. Maar paradoxaal genoeg ook hoopvol en mysterieus. In dit zwart, in de schoot van de omringende duisternis lag de hele wereld verborgen; zwanger van onbegrensde mogelijkheden in afwachting om gezien en geboren te worden.

Ontmoeting

Op mijn tweeëntwintigste stond ik oog in oog met Coatlicue, de moedergodin van de Azteken in het Nationaal Antropologisch Museum in Mexicostad. Ze was van steen en zo’n drie meter hoog. Ik kreeg een schok. Als moedergodin zag ze er niet zo hartverwarmend uit. Ze was monsterlijk groot, symmetrisch in opbouw en boven op haar hoekige schouders stond een slangenkop met een vreemde knik ik het midden. Om haar nek bungelde een ketting van bloederige, afgehakte handen en uit haar mond – of ik kan beter bek zeggen – staken vier stevige slagtanden naar buiten. Een gespeten tong kronkelde sissend naar voren koortsig op zoek naar bloed. Het was hallucinant. Kijkend naar het beeld veranderde het koude steen in een levendige aanwezigheid. Het leek net alsof mijn eigen bewustzijn daar tegenover me stond, opgeslokt in de miljarden jaren oude geschiedenis van het zijn. Eerlijk gezegd wist ik niet zo goed wat me overkwam. Ik vond het nogal creepy en bevangen door angst durfde ik niet meer naar het beeld te kijken.

Later las ik in het bijschrift dat de symmetrische constructie en de knik in de kop door de Azteekse makers bewust waren ingezet. Het was een vormmiddel waarbij je als kijker voortdurend bezig was om de hoek te interpreteren. Eigenlijk kon je nooit ‘scherp’ stellen, omdat er in je hersenen voortdurend een wankeling plaatsvond: de ene keer klapte de kop op de vouw naar binnen, de andere keer naar buiten. Het kijken naar een stenen beeld dat een minuut geleden nog roerloos tegenover je stond, werd op deze manier getransformeerd tot een fysieke, innerlijke ervaring van dynamische en duistere krachten. De Godin was uit haar stenen slangenhuid gekropen en tot leven gekomen.

Intimiteit

Mijn slaapkamer grenst aan een grote binnentuin omzoomd door huizenblokken. In de tuin staan een aantal monumentale bomen, vaak druk bevolkt door groepen spreeuwen of brutale, groene parkieten. Een van de grote bomen staat in mijn eigen tuin. In de zomer als iedereen zijn deuren heeft openstaan hoor je allerlei huiselijke geluiden. Ik vind het heerlijk om daarnaar te liggen luisteren. Mensen die in pannen roeren, praten, muziek draaien. De geluiden zijn niet te indringend, ze komen van een afstand zodat je je er ook voor af zou kunnen sluiten. Het herinnert me aan vroeger, aan de verjaardagen van mijn tante waar ik als kind te bed werd gelegd in een slaapkamer naast de feestkamer. Er bestond niets zo geruststellends als het in slaapvallen met de geluiden van de vertrouwde buitenwereld op de achtergrond.

Dat je bij het wakker worden soms in hetzelfde schemergebied kan verkeren, het schemergebied tussen waken en slapen, ervoer ik een keer op een zomerse ochtend. Dit keer was het geen opgewekt geroezemoes van vertrouwde familiestemmen, maar een voor mij onbekende stadsvogel die aan het zingen was. Deze vogel zat niet te dichtbij en niet te ver weg. Eigenlijk zat de vogel op een ondefinieerbare afstand; het geluid was in hetzelfde moment zowel hier als daar. Deze onbepaaldheid gaf me zo’n wonderlijke beleving van mijn omgeving alsof ik een overgangsgebied betrad waarin er geen binnen en buiten meer bestond. Daarentegen was ik een bewustzijnszone binnengegaan waar het gevoel van het afgescheiden zijn was opgelost en waar ik de buitenwereld ervoer alsof het mezelf betrof. Dit gaf me een gevoel van nabijheid en intimiteit die ik ongelooflijk poëtisch vind en waar ik vaak naar terug verlang.

Mark